Neoregelia

Een geslacht in 1934 door Lyman Smith genoemd naar de Duitse botanicus E. A. von Regel, directeur van de botanische tuin in Sint Petersburg (Rusland) ter vervanging van de namen Regelia en Aregelia. Bekend zijn ruim 120 soorten, epifytisch voorkomend op de lagere nivo's in de regenwouden van Oost-Brazilië en in mindere mate in Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela. Ook terrestrisch in de Braziliaanse kustgebieden alwaar het grote bestanden vormt. De meeste soorten vormen met de brede bladeren een vlakke kokerrozet in het midden waarvan de verzonken kopjevormige bloeiwijze staat; de kleine roze, violette, purperen of witte bloemetjes steken uit boven het water in de koker; ze bloeien enkele dagen met 2 of 3 tegelijk, na enkele weken is de bloei over. Het is met name de roodverkleuring van het centrum van de rozet die de plant zijn sierwaarde verlenen. In landen met een warm klimaat kunnen de planten in de open lucht worden gehouden en krijgen daar de meest fantastische kleuren, met name bij de talloze cultivars. De soorten met dik stijf blad mogen in de volle zon. Het blad met dorens is meest breed en kan zowel dun zijn als vrij dik, de afgeronde tip heeft net als bij Aechmea een spitse punt. Er zijn echter ook kleine soorten waarvan de koker steiler is en het blad vrij smal (bv. N. pendula), bij deze is het goed te zien dat de jonge planten aan lange uitlopers groeien waardoor een groep planten ontstaat die erg geschikt is voor een hangpot. De kleinste soort is N. lilliputiana, 5 cm hoog en breed, een geliefde plant bij verzamelaars; één der grootste soorten met een middellijn van 80 cm is N. concentrica. De bekendste cultuursoort is de vlakke breedbladige N. carolinae waarvan meest de variëgata-vorm tricolor te zien is; de soort is genoemd naar de vrouw van E. Morren. N. spectabilis en N. cruenta hebben rode bladpunten; eerstgenoemde wordt ook wel de "nagellakplant" genoemd. Er zijn drie ondergeslachten waarvan subgenus Neoregelia de meeste soorten omvat, gekenmerkt door vergroeide kroonbladen, een enkelvoudige bloeiwijze en een vruchtbeginsel dat duidelijk te onderscheiden is van de bloem. Subgenus Hylaeaicum uit het Amazone-bekken heeft vrijstaande kroonbladen, samengestelde bloeiwijze en een onopvallend vruchtbeginsel, hiervan zijn een tiental soorten bekend. Deze naam is afgeleid van Hylaea waarmee von Humboldt en Bonpland het regenwoud van Amazonië duidden. Het zijn epifyten die zich middels stolons voortplanten en die een stug driehoekig blad bezitten voorzien van grote stekels. Het derde subgenus is Protoregelia waarin (voorlopig) één - nogal afwijkende - soort is opgenomen. Als kamerplant zijn de Neoregelia's weinig problematisch: temperatuur 15 °C in de winter of de nacht tot 25 °C in de zomer, luchtvochtigheid ideaal 60% (de plant is echter behoorlijk tolerant), water in de koker. Verder veel licht, maar dunbladige soorten verdragen geen volle zon.

Soorten voor de cultuur

Kleine soorten (10-20 cm middellijn) met steile vaasvormige koker (als hangplant): N. ampullacea, mooreana, pauciflora, pendula, tristis, Fireball (c.v.)
Middelgrote soorten (20-40 cm): N. carolinae, chlorosticta, compacta, eltoniana, laevis, magdalenae, marmorata, olens, princeps, wurdackii
Grotere soorten (meer dan 40 cm): N. cruenta, eleutheropetala, johannis, spectabilis

Nidularium

De naam van dit geslacht (Lemaire, 1854) heeft betrekking op de bloeiwijze (Latijns "nidulus" = nestje). De soorten lijken erg veel op Neoregelia. Taxonomisch wordt het onderscheid tussen de twee geslachten als volgt gemaakt:

.NidulariumNeoregelia
bladrecht tot zwaardvormigtong- of riemvormig
bladpuntmeest spits aflopendmeest afgerond, met stekel
bloeiwijzesamengesteld, ook in oksels hartbladenmeest enkelvoudig, alleen in centrum
bloemkroonbladen meest rechtop en afgerondkroonbladen altijd uitgespreid en spits


De taxonomische verschillen tussen Nidularium en verwante geslachten als Canistrum, Canistropsis, Edmundoa en Wittrockia zijn in 2000 door de Braziliaan E. Leme opnieuw en voor een deel geheel nieuw gedefinieerd waarbij een aantal soorten van genus zijn veranderd; het subgenus Canistropsis is uit Nidularium gehaald en als apart genus benoemd. Tevens is van een drietal soorten van Nidularium vastgesteld dat het waarschijnlijk hybrides zijn met Neoregelia, deze drie zijn ondergebracht bij de "bigeneric" X Niduregelia. Wat betreft Nidularium onderscheidt Leme drie groepen, gekenmerkt door de kleuren blauw, rood en wit van de corolla (kroonbladen). Deze kroonbladen zijn vrij groot. In het schutblad bloeien 3 tot 7 bloemen aan een aar. Sommige soorten krijgen violette of blauwe bessen. De ongeveer 50 soorten komen voor in de regenwouden van Oost-Brazilië en aan de Atlantische kust, overwegend epifytisch op de lagere nivo's, ook wel terrestrisch. De vrij dunne bladeren blijven ook groen bij veel licht; Nidularium heeft dan ook minder licht nodig dan Neoregelia. De cultuur en verzorging is hetzelfde als bij Neoregelia, maar direct zonlicht moet worden afgeschermd want anders treedt verbranding van het blad op. Het substraat en de koker niet uit laten drogen.

Soorten voor de cultuur:

N. fulgens, innocentii, longiflorum, procerum, rosulatum, rutilans

Ochagavia

De vier soorten hiervan komen voor in Chili op rotsige meest beschaduwde plekken, waar de temperatuur kan variëren tussen 0 en 30 °C. De vorm van de planten (met doornige bladrozet en ronde, gedrongen verzonken bloeiwijze) lijkt sterk op Fascicularia. Bij Ochagavia wordt het hart van de rozet echter niet rood tijdens de bloei en de bloem is roze gekleurd. In mediterrane gebieden komen beide gemakkelijk in bloei en worden ze vaak gecultiveerd. Het geslacht is in 1856 benoemd door Philippi en genoemd naar een schoolonderwijzer in Chili. De meest voorkomende soort is Ochagavia carnea. Op de Robinson Crusoë eilanden komt de kleine soort O. elegans voor.

Orthophytum

Letterlijk de "rechtop-plant", zogenoemd naar de rechtopstaande bloeiwijze van een aantal soorten (Beer, 1854). Aan de stengel van deze planten groeien bracteeën die gelijken op normaal blad en naar de top toe steeds kleiner worden. De bladeren zijn voorzien van dorens. Andere soorten hebben geen stengel, de aarvormige bloeiwijze is hierbij genesteld in de vlakke rozet zoals bij O. burle-marxii en O. navioides, de laatste een soort waarvan de smalle lange bladeren in de bloeitijd hun groene kleur geheel voor rood verwisselen. Deze soorten met sessiele bloeiwijze zijn overigens in 2017 ondergebracht in het in ere herstelde geslacht Sincoraea. Bij de soorten met stengel is de bloeiwijze in groepjes verspreid in de oksels van de schutbladen, zoals O. foliosum, O. vagans en O. gurkenii, de laatste bijzonder door het bruine blad met zig-zag patroon (zoals bij sommige Cryptanthus-soorten) en de bloeiwijze met groene dekbladen (bij O. rubrum zijn deze rood). De bloemen zelf zijn meest wit. Deze laatste is een op rotsen groeiende succulente soort, evenals de nog kleinere (15 cm) O. saxicola.
De planten, in afmeting niet hoger en breder dan 60 cm, zijn geschikt voor de huiskamer en komen terrestrisch voor in droge streken van Oost-Brazilië. Ze ontwikkelen vrij veel wortels die vochtig moeten worden gehouden, verdragen volle zon en kunnen als succulenten worden gecultiveerd. Er zijn ongeveer 60 botanische soorten bekend en ook een aantal cultivars.

Pitcairnia

De meeste bromelia's zijn doorgaans vrij gemakkelijk als zodanig te herkennen. Een uitzondering hierop vormen de Pitcairnia's. Met meer dan 400 soorten is het na Tillandsia het meest veelsoortige genus; ook het verspreidingsgebied is groot, want behalve in Canada en de VS komt het voor in elk land op het Amerikaanse continent, het meest in Colombia, Peru en Brazilië. Een kwalifikatie van de habitat is moeilijk want Pitcairnia's zijn te vinden in berggebieden (o.a. de Andes), in het vochtige Amazone-bekken, op open savannes, hoogvlaktes, langs rivieroevers, op rotswanden en in bossen. Overwegend terrestrisch. De soorten worden tamelijk groot, wat er samen met de niet bijzonder aantrekkelijke bladvorm en de korte bloeiduur de oorzaak van is dat dit geslacht weinig in cultuur is te vinden. Toch waren al in het begin van de 19e eeuw Pitcairnia's in Europa ingevoerd, nadat in 1788 de Franse botanicus l' Heritier het geslacht benoemde naar de Londense arts William Pitcairn. Bijzonder is het feit dat in West-Afrika P. feliciana voorkomt, de enige bromelia die in habitat buiten Amerika is aangetroffen. De Fransman J. Felix vond hem in (toenmalig Frans) Guinee in 1937. Net zo min als van de in Afrika en op Madagascar verbreide cactus Rhipsalis baccifera is ook van deze Pitcairnia bekend hoe het in Afrika is beland. De soort P. pusilla is éénjarig en als zodanig uniek onder de bromelia's; hij groeit van zaadje tot bloeiende plant en sterft af binnen één vegetatieperiode. Het blad van Pitcairnia lijkt vaak op gras, lang en dun met gladde rand, of breder en met bladsteel op maïsblad (de soortnaam P. maidifolia duidt hier ook op). Maar ook korte doornige bladeren komen voor en er zijn soorten waarbij beide bladvormen aanwezig zijn; deze dimorfe of heterofiele planten (P. nigra, P. feliciana, P. heterophylla, P. pungens) werpen bij het begin van de winter het chlorofyl bevattende loof af en bloeien tegen het voorjaar. Vooral grotere soorten bezitten behoorlijk ontwikkelde wortels, de planten vermenigvuldigen zich snel door onderaardse uitlopers en vormen dan grote groepen. De bloemen zijn groot en de kleur is wit, geel, groen of rood. De soort P. nigra, zowel epifytisch als bodemgroeiend op grashellingen, heeft paars-zwarte kroonbladen van 5 cm die met de oranje meeldraden en de rode 30 cm hoge bloeiwijze een kleurig geheel vormen; hij werd door André op zijn expeditie in Ecuador en Kolumbia gevonden. Een zeer bijzondere vorm heeft de 25 cm kleine soort P. tabuliformis; de blaadjes vormen vanuit het centrum een cirkelvormig puntdakje, centraal hierop staat de eivormige oranje bloeivorm die de plant een hoogte van 10 cm geeft. De bloeiwijze is bij Pitcairnia's zeer variabel, tros- of aarvormig, enkelvoudig of samengesteld. Het geslacht Pitcairnia heeft twee ondergeslachten, Pitcairnia (zaad met staartjes) en Pepinia (zaad met vleugeltje). Pepinia is genoemd (door Brongniart, 1870) naar de Fransman P. D. Pépin, hoofdtuinman bij het museum van natuurlijke historie te Parijs. In 1986 werd Pepinia weer tot apart genus benoemd door Varadarajan, met ongeveer 50 soorten. Dit naar aanleiding van de veronderstelde aparte zaadvorm. In 1999 stelden Taylor en Robinson echter dat dit kenmerk niet konsistent was en verwierpen Pepinia als genus.

Verzorging: weinig water geven, halfschaduw en geen directe zon voor soorten met gras-achtig blad. Soorten met dikker doornig blad en een wortelknol hebben zelfs een waterloze winterpauze nodig (november-april) en 's zomers veel licht.

Soorten voor de cultuur

Klein (tot 30 cm): P. andreana, burle-marxii, tabuliformis Middelgroot (30-50 cm): P. maidifolia, smithiorum

Portea

Grote sierlijke planten, door Koch in 1856 voor het eerst beschreven, in 1885 genoemd naar de Franse verzamelaar Marius Porte door Brongniart. De acht soorten zijn bewoners van de Braziliaanse kuststreek, tussen Bahia en Rio de Janeiro. Overwegend terrestrisch, maar zelfs de 170 cm grote P. leptantha komt ook voor in de bomen. Bij de bekendste soorten bestaat de rozet uit lang, smal en star blad (met stekeltjes) van waaruit aan een lange stengel de trosvormige, meest vertakte bloeiwijze omhoog torent. Het meest gecultiveerd is de 1 meter hoge P. petropolitana extensa, de 80 cm lange bladeren geven de rozet een diameter van 1 meter. Er zijn ook kleinere soorten, zoals P. kermesina en P. fosteriana. De kleuren van de bloeiwijze zijn overwegend roze-rood (stengel en bracteae) en purper-violet (bloem). De bloemen van P. leptantha zijn oranje en die van P. silveirae vuurrood. De bloei is langdurig, wel enkele maanden.

Pseudalcantarea

Een genus beschreven in een grote herziening van de Tillansioideae in 2016; bevat een klein aantal soorten die voordien in genus Tillandsia waren ondergebracht, o.a. T. grandis en T. viridiflora, voorkomend van Mexico tot Nicaragua. De naamgeving heeft betrekking op de vorm van de bloem, gelijkend op die van het geslacht Alcantarea.

Puya

De Puya's worden beschouwd als de oudste en meest primitieve leden van de Bromeliaceae. De naam is afgeleid van een Chileense indianenstam (Molina, 1782). De ruim 220 soorten zijn te vinden langs de westelijke hellingen van de Andes en op de hoogvlaktes aldaar (van Chili tot Venezuela), globaal tussen 1000 en 4000 meter hoogte; alle soorten zijn terrestrisch. In centraal Costa Rica wordt ook nog een soort aangetroffen (P. dasylirioides, die voorkomt in moerassig terrein) en in het kustgebied van Chili en in de Venezolaanse provincie Amazonica groeien enkele Puya-soorten ook in lager gelegen streken. Maar vooral is dit geslacht bekend uit het hooggebergte met zijn enorme kontrasten in klimatologische omstandigheden en verschillen in dag- en nachttemperaturen. Hoe deze soorten in deze desolate streken terecht zijn gekomen is niet geheel duidelijk. Een theorie is dat de voorouders van de huidige Puya's moerasplanten waren en dat deze met de vorming van de Andes-keten omhoog zijn "getild". De soort P. nivalis groeit in Colombia tot aan de sneeuwgrens (4800 meter) en is daarmee de hoogst voorkomende bromelia.

De bekendste soort is P. raimondii waarvan nog verspreide kolonies te vinden zijn in Peru en Bolivia. In tegenstelling tot veel andere Puya's, die door uitlopers grote hechte groepen vormen, verheft P. raimondii (genoemd naar de Italiaan Antonio Raimondi, die de soort in 1874 beschreef) geheel vrijstaand zijn bloeiwijze ten hemel tot een hoogte van 8 tot 10 meter. De rozet, 3 meter in doorsnede en evenzo hoog, groeit om een stam van 50 cm doorsnede; zoals bij alle Puya's is het blad hard en dik en voorzien van behoorlijke dorens. De starre kaarsvormige bloeiwijze van 4-5 meter hoogte ontstaat naar aangenomen wordt pas na 100 jaar, hoewel aan de universiteit van Berkeley in de VS in 1986 een plant al na 28 jaar bloeide (dit was op zeenivo en het exemplaar had niet het normale formaat). De ruim 8000 bloemen, elk ongeveer 6 cm groot, worden druk bezocht door kolibrie's die voor de bestuiving zorgen. De steriele uiteinden van de radiaal uitstaande aren vormen een "zitje" voor de vogels en zijn kenmerkend voor de samengestelde bloeiwijze van het subgenus Puya waartoe ook soorten als P. chilensis en P. alpestris behoren. Lang is verondersteld dat P. raimondii een door menselijke aktiviteit bedreigde soort was. Zeker is dat hij alleen nog voorkomt op schrale gronden die voor landbouw niet interessant zijn en in veel gebieden verdwenen is, maar recent (2000) onderzoek in Bolivia heeft uitgewezen dat daar nog 19 kolonies voorkomen in de departementen Cochabamba, La Paz en Potosi met in totaal 20 tot 25 duizend exemplaren. In Bolivia bloeit "la raimondi" of "la puya" in oktober-november; de meest toegankelijke kolonie bevindt zich bij Cerro de Comanche, 2 uur rijden vanaf de hoofdstad La Paz in de richting van de kust bij Chili (zie de foto's op deze pagina's). De indiaanse benaming varieert per lokatie, bij Comanche spreken de aymara-indianen van "ticatanka". In Peru is er het nationaal park "Puya Raimondii" in de buurt van Huaraz waar de bloeitijd van deze plant in augustus-september valt. Ook in Bolivia is een standplaats opgenomen in een park in Cochabamba, Martin Cardenas genaamd. In Europa groeit een exemplaar in de alpine kas van Kew Gardens. P. raimondii kan zich uitsluitend uit zaad voortplanten, van de miljoenen zaadjes ontkiemen er echter niet veel. De lokale bevolking steekt de planten na de bloei wel eens in brand zodat de voortplanting verhindert wordt. Overigens is de plant bestand tegen de normale branden die landbouwers veroorzaken i.v.m. landverbetering. Een andere grote soort, P. gigas uit Colombia (6-8 meter), vormt wel uitlopers.

De soorten van het subgenus Puyopsis hebben een enkelvoudige of samengestelde bloeiwijze met hangende bloemen, meest in trosvorm aan een dunne buigzame stengel. De vorm van de diverse Puya-soorten kan dan ook zeer verschillen. Soms gelijken ze op Pitcairnia's en veel Puya's waren daar vroeger ook bij ingedeeld; een onderscheid is de spiraalvormige verdraaïng van de kroonbladen welke bij Puya optreedt na de bloei. Van beide geslachten zijn de bloemen overigens relatief groot in vergelijking tot die van andere bromelia-geslachten. De kleur van Puya-bloemen is wit, geel, groen, blauw of violet met vaak fantastische kleurschakeringen.

Voor de cultuur zijn er enkele kleinere soorten (van 20 tot 50 cm) interessant voor de succulentenliefhebber: P. venusta, serranoensis, tuberosa, paupera, brachystachya, lineata, grafii, hromadnikii. De grotere soorten kunnen in mediterrane gebieden als buitenbeplanting worden gebruikt.

Quesnelia

Een geslacht genoemd naar een Franse consul in Cayenne, M. Quesnel, door Gaudichaud in 1842. De ruim 20 soorten komen alleen voor langs de kust van Oost Brazilië en zijn overwegend terrestrisch. Ze zijn naar de vorm van het dekblad (florale bractea) ingedeeld in de subgenera Quesnelia en Billbergiopsis. Het zijn overwegend grote rozetplanten, met harde doornige bladeren, spits uitlopend maar ook wel afgerond. De trosvormige bloeiwijze is staand, zoals bij Q. edmundoi (een dichte cilindrische aarvorm met witte bloemetjes tussen gele dekbladen) of ook wel hangend zoals bij Q. liboniana (violette bloemen in losse aarvorm, oranje dekblad). Karmijnrood en violet zijn de kleuren die het meest voorkomen bij resp. dekblad en bloem, zoals bij de 30 cm kleine soorten Q. indecora, Q. humilis en Q. imbricata, allen met dezelfde bloeiwijze als Q. liboniana. De bloemkleur van Q. seideliana is opvallend blauw. Een staande cilindrische aarvorm van 70 cm hoog hebben de drie vertegenwoordigers van subgenus Quesnelia: Q. quesneliana, Q. arvensis en Q. testudo. Bij Q. marmorata, een soort met gevlekt blad, steekt de bloemstengel met zijn grote roze schutbladen ver uit boven de steile rozet. Dit is de meest cultuurwaardige soort, hij bloeit ook langer dan de meeste andere Quesnelia's. De verzorging is als van Aechmea en Billbergia.

Racinaea

In 1992 hebben M.A. Spencer & L.B. Smith de soorten uit het Tillandsia-subgenus Pseudo-Catopsis in een nieuw geslacht ondergebracht. De kelkbladen (sepalen) van de bloemen zijn i.t.t. de andere subgenera van Tillandsia niet symmetrisch. Het nieuwe geslacht met bijna 80 soorten werd genoemd naar Racine, de vrouw van Mulford Foster. Soorten die wel in botanische verzamelingen zijn aan te treffen zijn R. flexuosa, R. fraseri en R. multiflora, vrij grote planten met een lange vertakte stengel, alsmede de kleinere R. dyeriana en R. venusta.

Ronnbergia

Een geslacht dat genoemd is naar de Belg M. Ronnberg (Morren en André, 1874). Het zijn kleine uitlopers vormende rozetplanten, steil vaasvormig. Het blad, klein in aantal, is gladrandig of heeft kleine dorens, bij de soort R. columbiana is het aan de onderzijde roodbruin gekleurd. De lengte ervan varieert per soort tussen 20 en 70 cm, de breedte is ongeveer 3 cm. De korte onvertakte stengel blijft lager dan de rozet en draagt de aarvormige bloeiwijze waarbij de bloemen (wit, violet, blauw) in spiraalvorm zijn ge-ordend. Bij R. explodens ploffen de besvruchten bij aanraking uiteen en verspreiden aldus het zaad. Mooie oranje bessen die de plant maandenlang sieren treffen we aan bij R. petersii. Andere soorten zijn R. morreniana en R. campanulata, deze hebben een 5 cm grote dichte bolronde bloeiwijze, als een puntijsje tussen de grote schutbladen van de stengel. Leuke plantjes, makkelijk in verzorging maar weinig in cultuur te vinden. Ze zijn te vinden in de pacifische kustgebieden van Costa Rica tot Ecuador, epifytisch en terrestrisch in vochtige habitats. In 2017 is n.a.v. een studie van deze planten uit de zgn. Ronnbergia-groep (zie bij Wittmackia) het aantal Ronnbergia's gekomen op ruim 20.

Sequencia

Dit genus bevat 1 soort, Sequencia serrata, voorheen ingedeeld bij Brocchinia. De naam Sequencia duidt op de wijze van onderzoek, nl. genetisch (DNA-reeks), die heeft aangetoond dat deze soort uit Columbia erg afwijkt van andere bromelia's.

Sincoraea

Dit genus is benoemd door Ule in 1908 naar de naam van de vindplaats van Sincoraeae amoena, de berg SincorŠ in Bahia, BraziliŽ. Deze soort is later ingedeeld bij Orthophytum. Samen met een tiental andere soorten van Orthophytum is deze in 2017 door Louzada & Wanderley weer ondergebracht in Sincoraea. Het betreft hier soorten die zich o.a. kenmerken door het ontbreken van een bloemstengel (sessiele bloeiwijze) en waarvan de rozetbladeren rood gekleurd zijn.

Steyerbromelia

In 1984 door L. Smith genoemd naar J. Steyermark, een botanicus die vooral in Venezuela veel bromelia-soorten heeft ontdekt. Daar komen de soorten S. discolor en S. deflexa voor, op de toppen van Cerro Duida en Cerro Marahuaca. Dit zijn terrestrische planten, met stijve smalle bladeren zonder stekels, bij S. discolor 80 cm lang en 3 cm breed, vrij klein in aantal en tamelijk rechtopstaand. Vertakte stengel tot 1,5 meter hoog met kleine witte bloemen in trossen. Er zijn 9 soorten bekend, waaronder enkele afkomstig uit het genus Navia.

Stigmatodon

Een genus beschreven in een grote herziening van de Tillandsioideae in 2016; bevat een aantal soorten die voordien in genus Vriesea waren ondergebracht. De naam (uit het Grieks) heeft betrekking op de stempel (stigma) van de bloem waarvan de rand getand is.