Barfussia

Een genus beschreven in een grote herziening van de Tillandsioideae in 2016; bevat een klein aantal soorten die voordien bij Tillandsia waren ondergebracht, waaronder Tillandsia platyrhachis en Tillandsia wagneriana uit Ecuador. Genoemd naar Michael Barfuss (1977- ), specialist in phylogenetisch onderzoek aan de universiteit van Wenen.

Billbergia

Onder de Billbergia's bevinden zich twee soorten die vanouds als kamerplant worden gebruikt: B. nutans en de hybride B. x windii. Dit zijn potplanten met lang, smal gestekeld blad die binnen korte tijd de pot geheel gevuld hebben met nieuwe scheuten. De hangende bloeiwijze gaat slechts twee weken mee, maar hier staat tegenover dat uit de nieuwe scheuten zeer snel nieuwe bloei ontstaat. De soorten zijn uitermate geschikt voor de droge huiskamerlucht en vrijwel onverwoestbaar. De twee genoemde soorten zijn evenwel niet representatief voor de meerderheid van Billbergia's, want deze bestaat uit kokerplanten met brede bladeren die steil omhoog staan in de vorm van een vaas; de bloeiwijze hangt meestal uit de koker, soms in zig-zag vorm, maar komt ook rechtopstaand voor. De stengel heeft bij een aantal soorten een "berijpt" uiterlijk. Het blad kan aan de onderzijde voorzien zijn van lichte dwarsbanden gevormd door een concentratie van trichomen (bv. B. zebrina) en is soms ook wel in diverse kleuren bespikkeld of gevlekt (B. amoena). Billbergia is in 1821 door Thunberg genoemd naar de Zweedse botanicus Gustav Billberg. Het geslacht is verwant met Aechmea en verschilt hiervan in kleinigheden zoals de structuur van de stuifmeelkorrels en de vorm van de bloemblaadjes. Het komt voor van Mexico tot Argentinië met het zwaartepunt in Centraal-Brazilië. De ruim 60 soorten groeien overwegend epifytisch in grote groepen en vallen vooral op door de grote roze schutbladen en de - voor een bromelia - vrij grote bloemen; de bloemkleur is groen, geel, rood of paars. Er zijn twee subgenera: Billbergia, met licht omkrullende kroonbladen, en Helicodea, waarvan de kroonbladen zich als een horlogeveer achterwaards oprollen (zoals bij B. porteana, rosea, zebrina). Een aantal Billbergia's zijn nachtbloeiers, maar daarvan treffen we meestal alleen B. horrida in de cultuur of in verzamelingen aan. De bloei valt meestal in de lente. Een soort met mooie grote (50 cm) hangende bloeiwijze is de B. rosea, nog groter (1 meter) is die van B. magnifica, deze soort bloeit uit zaad pas na 10 jaar. Billbergia heeft veel licht, goede ventilatie, bescheiden water en weinig bemesting nodig. Het aanpassingsvermogen van deze kamerplant is groot, 's zomers kunnen ze ook goed buiten worden geplaatst in de halfschaduw. Temperaturen tussen 12 en 22 °C.

Soorten voor de cultuur

Door de steile kokervorm nemen de soorten niet meer dan 20-50 cm plaats in beslag.

Met hangende bloeiwijze: B. chlorantha, distachia, elegans, euphemiae, iridifolia, morelii, nutans, porteana, rosea, sanderiana, viridiflora, vittata, windii, zebrina

Met staande bloeiwijze: B. amoena, horrida, leptopoda, pyramidalis

Brewcaria

Een geslacht in 1984 beschreven door Smith, Steyermark & Robinson en genoemd naar C. Brewer Carias uit Venezuela. Aldaar, in Guayana in een kleine savanne op de Cerro Duida (een berg van 1500 meter hoog), werd B. duidensis gevonden, een plant met een stengel van 3 meter lengte. Het bovenste gedeelte daarvan, ongeveer 70 cm lang, is dicht aarvormig bezet met gele bloempjes van ongeveer 2 cm groot. De rozet heeft blad van 1 meter lang. Op Cerro Marahuaca werd een tweede soort gevonden en genoemd naar deze berg (B. marahuacae); later is er nog een viertal bijgekomen vanuit het genus Navia (B. brocchinioides, hechtioides, hohenbergioides, reflexa).

Brocchinia

Hiervan zijn ongeveer 20 soorten bekend. Het zijn terrestrische rozetplanten (soms ook wel epifytisch) met lange gladrandige bladeren, aan het ronde uiteinde met een spitse punt. De meeste soorten hebben een bijna rechtopstaande vaasvormige rozet, voorbeelden zijn B. hechtioides en B. reducta. De laatste is een carnivore soort. Insecten, veelal mieren, komen af op de zoete geur van de vloeistof - waarvan de zuurgraad evenwel hoog is - in de koker en vallen daarin, glijdend langs de gladde wasachtige binnenwand van de het blad. Een weg terug is er niet. Via de trichomen van het blad worden de opgeloste voedingsstoffen opgenomen. Bij andere soorten (B. tatei, paniculata) is de rozet vlakker. De trosvormige bloeiwijze is verspreid over de vertakte stengel, de groen-witte bloemetjes zijn klein. De hoogte van de soorten varieert van 60 cm (B. reducta) tot ruim 5 meter (B. micrantha). Brocchinia's komen voornamelijk voor in Venezolaans Guayana, op de tafelbergen en in de savannes aldaar. De meest verspreide soort is B. hechtioides. In Brazilië, Colombia en Venezuela is B. paniculata aan te treffen. Het geslacht is genoemd naar de Italiaanse natuuronderzoeker G.B. Brocchi (Schultes, 1830).

Bromelia

Door Plumier in 1703 genoemd naar Olaf Bromelius. De familienaam is ervan afgeleid: Bromeliaceae. Van de vijf soorten die Linnaeus in 1753 indeelde bij Bromelia is alleen B. pinguin nog overgebleven, een plant die zoals vrijwel alle soorten uit dit geslacht te groot en te onaangenaam gestekeld is voor cultuur in huis of serre (de hakerige dorens zijn 1 cm lang). De bloem van deze soort is roze met witte rand. Nu bevat het genus ongeveer 70 soorten. Bromelia's zijn echte xerofyten, gewend aan droogte en volle zon. Het blad is lang, smal en dik. Bij de soort B. balansae is de lengte van het blad 1,5 meter en de breedte 3 cm, de bloeiwijze groeit op tot 1,5 meter hoogte en is voorzien van eveneens zeer doornige schutbladen. Ten tijde van de bloei verkleurt het hart van de vrij vlakke rozet alsmede het schutblad naar een prachtig rood. De cilindervormige bloei-aar heeft een viltig uiterlijk. Na de kortstondige bloei - die pas plaats vindt als de plant al 6 tot 8 jaar oud is - wordt het blad weer geheel groen en vormen zich de gele eetbare besvruchten. De 1 cm grote petalen zijn purper en witgerand, dezelfde kleur is aan te treffen bij de kleinere er erg op gelijkende B. sylvicola en de zeer grote - hoogte en bladlengte 3 meter - B. antiacantha. Bij de soort B. humilis is de bloeiwijze verzonken in de rozet en zijn de bloemen violet. Andere grotere soorten zijn B. serra, chrysantha, goeldiana en plumieri. De planten vormen door uitlopers grote ondoordringbare bestanden. Hiervan wordt gebruik gemaakt als afbakening van terreinen, ook worden er wel hellingen mee beplant ter voorkoming van erosie. De kleinste soort is B. horstii met een rozetdiameter van 60 cm. Bromelia komt voor van Mexico tot Argentinië, veelal in zandige en rotsachtige kustgebieden. In verzamelingen van botanische tuinen zijn ze soms aan te treffen bij de cactussen.

Canistropsis

Bij een herziening van het zgn. Nidularium-complex door E. Leme in 1997 werd dit subgenus van Nidularium tot apart genus benoemd. De naamgeving duidt op de gelijkenis van de betreffende soorten met die van het geslacht Canistrum. De bekendste van de ongeveer 11 soorten is C. billbergioides die veel wordt gecultiveerd, zowel in geel als oranje kleur.

Canistrum

Een geslacht bestaande uit ruim 10 soorten. De met rode schutbladen omgeven bloeiwijze gaf aanleiding voor de naam, die duidt op een vorm als van een "mandje" gevuld met bloemen. Deze aarvormige bloeiwijze kan net als bij Nidularium in de rozet zijn verzonken dan wel op een stengel als een kelk omhoog zijn geheven. De geslachten worden ook identiek gecultiveerd, in halfschaduw, vochtige lucht en met water in de koker. Canistrum is een robuuste kokerplant met breed blad, dat een rond uiteinde met een punt heeft als bij Aechmea en bij een aantal soorten bruin-zwart bevlekt is. De bladrand is voorzien van flinke bruine dorens. De bloemen zijn meest groen of wit van kleur, geel-oranje bij C. aurantiacum, dit is de soort waarop E. Morren in 1873 het geslacht grondvestte (het "type" van het genus). Andere soorten zijn C. fosterianum, seidelianum en triangulare. Bij de herziening van Nidularium (Leme) zijn een aantal soorten ondergebracht bij Canistropsis, Edmundoa en Wittrockia. De planten komen epifytisch en terrestrisch voor in het kustgebied van Oost-Brazilië; een enkele soort komt voor in Trinidad.

Catopsis

In 1864 benoemde Grisebach dit geslacht als een afscheiding van Tillandsia. Het zijn kleine planten (20-50 cm hoog) die niet bijzonder aantrekkelijk zijn voor de cultuur, hoewel dit zowel epifytisch als in de pot goed mogelijk is. De verzorging is als van groene Tillandsia's: vochtige lucht, halfschaduw, water in de rozet. Men treft Catopsis aan in Florida (de soorten C. nutans en C. berteroniana) en verder zuidwaarts tot in Brazilië en Peru, meest epifytisch. Het blad is breed aan de basis, zonder stekels, spits uitlopend en veelal aan de onderzijde bedekt met een krijt-achtig poeder waarvan de funktie niet geheel duidelijk is. Een veronderstelling is dat door de lichtreflectie ervan bestuivers (insecten) worden aangetrokken. De rozet is steil vaasvormig. De stengel loopt uit in de vertakte aarvormige bloeiwijze, de bloemetjes zijn geel, wit of groen.Er zijn zowel soorten met éénslachtige als tweeslachtige bloemen. De naam Catopsis komt uit het Grieks en betekent "omhoog blikkend"; het geslacht kent bijna 20 soorten. De bekendste zijn C. berteroniana, hahnii, morreniana, nutans, paniculata, sessiliflora, subulata en wangerinii.

Cipuropsis

Een genus oorspronkelijk beschreven door Ule in 1907 en opnieuw benoemd in de grote herziening van de Tillandsioideae in 2016; bevat (voorlopig) alleen de soort Cipuropsis subandina uit Peru.

Connellia

Genoemd naar de Engelse verzamelaar V. McConnell (Brown, 1901). Dit zijn planten uit de tafelbergen van Guayana in Venezuela, de 6 soorten zijn terrestrisch, 20-50 cm groot en verwant aan het geslacht Lindmania. Het blad is driehoekig en ziet er grassig uit, soms met korte dorens, een kleine rozet vormend. De korte of langere stengel heeft een naar verhouding grote aarvormige bloeiwijze. De roze-purperen bloemen (10 tot 30 stuks) zijn erg mooi en staan in de grote lichtbruine schutbladen. De kleine soort C. quelchii lijkt op een atmosferische Tillandsia met zijn smal en dik blad, dat een u-vormige doorsnede heeft. Iets groter is C. augustae met blad dat 3,5 cm breed is aan de basis en 30 cm lang. Zoals alle bromelia-geslachten uit de Guayana Highlands wordt ook Connellia niet in cultuur aangetroffen.

Cottendorfia

De meeste soorten uit dit geslacht zijn nu ondergebracht bij Lindmania. Alleen C. florida resteert, een plant met 1 cm breed en 1 meter lang blad, zonder stekels. De pluimvormige bloeiwijze aan de lange vertakte stengel heeft aarvormige deelbloeiwijzen met kleine witte bloemen. Hij komt voor op rots in Oost-Brazilië. Het geslacht is genoemd naar de Duitse baron Cotta von Cottendorf (Schultes, 1830).

Cryptanthus

De naam (Otto & Dietrich 1836) heeft betrekking op de wijze waarop de bloem is gepositioneerd en betekent "verborgen bloem" (Grieks "cryptos"= verstopt, "anthos" = bloem). De bloempjes ontstaan behalve in het centrum van de vlakke uitgespreide rozet ook in de bladoksels en zijn doorgaans wit. De bladeren zijn langwerpig met spits uiteinde, vaak voorzien van een decoratieve bladtekening in diverse kleuren, en de golvende bladrand heeft kleine dorens; door de trichomen kan het oppervlak een was-achtige indruk maken. Van de "aardsterren" zoals ze worden genoemd zijn ongeveer 80 soorten bekend die hun oorsprong hebben op de beschaduwde bodem en boomstammen in bossen van Oost-Brazilië; ook in de wat lichtrijker kuststreken komen ze voor, echter niet in volle zon. De planten vormen grote bestanden. Het aantal cultivars overtreft het aantal botanische soorten verre en Cryptanthus is het enige bromeliageslacht met een aparte vereniging van liefhebbers, de Amerikaanse Cryptanthus Society. De soorten vormen zowel via uitlopers als via nieuwe rozetten in de bladoksels gemakkelijk nakomelingen. De bloemen in het uiterste centrum van de rozet bloeien het eerst en zijn uitsluitend mannelijk (hebben geen stamper), bloemen meer aan de buitenrand zijn wel tweeslachtig maar het stuifmeel hiervan is steriel. De bloei is van korte duur. De planten benodigen halfschaduw, vochtige atmosfeer en warmte (25 °C overdag, 10 °C in de nacht bevordert de bloei). Een vitrine is dus ideaal; de soort C. acaulis kan tegen drogere lucht en heeft meer licht nodig. Omdat weinig wortel wordt gevormd worden ze in vlakke schalen geplaatst, wel moet gezorgd worden voor goede drainage. Epifytische cultuur is ook mogelijk. Water in de rozet mag. Een uitgesproken rustperiode is er niet, de bloeitijd ligt hoofdzakelijk in lente en zomer. De planten produceren geen fraaie bloemen en hebben geen opvallend gekleurde bracteeën, hun sierwaarde wordt bepaald door het blad. De grootte van de rozet varieert van 7 cm (C. x roseus) tot 60 cm (C. fosterianus). De kleine soorten lenen zich goed als plant in een fles. De lichtintensiteit is belangrijk om de mooiste bladkleuren te verkrijgen. In het algemeen geldt: hoe meer licht, des te meer verkleurt het blad van groen naar rood. Een afwijkende succulente soort is C. warasii, deze lijkt meer op een Dyckia en is genoemd naar de Braziliaanse cactusverzamelaar E. Waras; hij groeit op rotsgrond en wordt in cultuur als een cactus verzorgd. De soort die in de handel als C. roseus wordt aangeboden is een hybride waarvan de roze kleur van de hartbladeren door een chemische behandeling tot stand komt.

Soorten voor de cultuur

Met streeppatroon in lengterichting: C. bromelioides var. tricolor, bivittatus, lacerdae
Met zig-zag patroon overdwars: C. fosterianus, zonatus
Zonder bladtekening: C. acaulis, beuckerii, bromelioides, roseus

Deinacanthon

Dit door Mez benoemde geslacht kent slechts één soort, D. urbanianum uit Argentinië. Het is een succulente plant, smalbladig met stekels, die zich door uitlopers vermenigvuldigt. In de nestelende kopje- en trosvormige bloeiwijze vormen zich rode bloemetjes.

Deuterocohnia

De ongeveer 18 soorten van dit geslacht zijn terrestrisch en hebben flinke wortels. Het zijn extreme xerofyten. Ze komen voor in de droge berggebieden van Argentinië, Bolivia, Chili en Peru en ook in het bekken van de Rio Paraguay (Brazilië en Paraguay). Cultuurplanten zijn het niet, maar voor cactusverzamelaars kunnen ze aantrekkelijk zijn, net zoals de Hechtia's en Dyckia's. De starre rozet bestaat uit succulente bestekelde bladeren, de stengel is rijk vertakt, de bloeiwijze is pluim- en trosvormig en heeft als bijzonderheid dat de bloei niet éénmalig is: een aantal jaren groeit de stengel door en bloeit steeds opnieuw. Dit zijn dus bromelia's die na de bloei niet afsterven. Behalve bij een aantal Deuterocohnia's is dit alleen bekend bij enkele Hohenbergia-soorten. De 2,5 cm lange bloemetjes zijn geel of geelgroen bij D. longipetala, een soort die in verzamelingen frekwent is aan te treffen; de rozetdiameter ervan is ongeveer 40 cm, de houtige stengel 80 cm lang. De naam Deuterocohnia geeft aan dat dit het tweede plantengeslacht is genoemd naar de Duitse botanicus en bacteriologist F.J. Cohn (Mez, 1894). In 1992 zijn in Deuterocohnia de 4 soorten van Abromeitiella opgenomen, voorkomend in de hoge Andes van Argentinië en Bolivia. Dit geslacht was genoemd door Mez in 1927 naar J. Abromeit, botanicus in Königsberg. Het zijn planten met kleine rozet die grote kussenvormige bestanden vormen. De ex-Abromeitiela's zijn: D. brevifolia, succulent, 4 cm groot, met 4 cm lange nestelende bloeiwijze en groene bloemkleur, iets groter en erop gelijkend D. lotteae met roodbruine bloei, nog groter zijn D. lorentziana en D. scapigera met een rozetdiameter van meer dan 15 cm.

Disteganthus

Vier soorten (waaronder D. lateralis en D. basilateralis) die in groepen voorkomen op de bodem van vochtige bossen. De planten van de soort D. basilateralis hebben een tiental brede bladeren van 50 cm lengte die met hun stengel de indruk wekken van Pitcairnia. Met name deze stengel van 20 cm en de bladschede zijn duidelijk gestekeld. De bloeiwijze kan in eerste instantie aangezien worden voor een uitloper want hij ontstaat zijdelings aan de basis uit de grond, met roze schutbladen en gele bloemen. Hij komt voor in Frans Guiana. Het geslacht is benoemd door Lemaire in 1847. De naam is samengesteld uit de Griekse woorden dis ( twee), stego ( bedekt) en anthos ( bloem).

Dyckia

Dyckia is een geslacht van succulente kleine planten. Het is in 1830 genoemd naar de cactusverzamelaar en botanicus Franz Ignatz uit Pruisen, ook wel genaamd prins Joseph zu Salm-Reifferscheid-Dyck en omvat ruim 160 soorten. De starre, harde lancetvormige bladeren zijn voorzien van stekels en bezitten aan de onderzijde meestal zilvergrijze schubben. De wortels van deze terrestrische planten zijn goed ontwikkeld en door de uitgebreide vorming van nieuwe scheuten (al voor de bloeitijd) kunnen we in de droge gebieden van Brazilië (de "campos") en van Argentinië tot Bolivia grote bestanden van deze zonaanbidders aantreffen. In het voorjaar ontstaat zijdelings tussen het blad de bloeistengel; in trosvorm bloeien de 1 cm grote klokvormige bloemetjes die er in frontaal aanzicht driehoekig uitzien, de kleur ervan is geel,oranje of rood. Behalve door scheuten kan Dyckia ook makkelijk uit zaad worden vermeerderd (bloei is na 2 jaar mogelijk), vele soorten vormen na zelfbestuiving zaad in bruine glanzende doosvruchten. D. fosteriana met zowel boven als onder wit beschubd blad en D. marnier-lapostollei met breed zilverblad zijn ook vegetatief aantrekkelijk, ondanks de hakerige stekels. De rozetten zijn tot 30 cm breed en de bloeistengel is even zo lang; bij D. remotiflora groeit de stengel wel tot 70 cm lengte uit. Nog kleiner is de grijsgroene D. braunii met een rozet van 20 cm. Andere soorten die worden gecultiveerd zijn D. brevifolia en D. leptostachya. De verzorging van Dyckia's is zoals van cactussen en andere succulenten. De planten groeien het best als de wortelkluit regelmatig wordt bevochtigd. Ze zijn bestand tegen periodes van droogte en lage nachttemperaturen, in de zomer kunnen ze ook in midden Europa naar buiten.

Edmundoa

Bij een herziening van het zgn. Nidularium-complex (de geslachten Nidularium, Canistrum en Wittrockia betreffend, alsmede bepaalde soorten van Neoregelia en Aechmea) door Elton Leme in 1997 werden twee nieuwe geslachten benoemd. Naast Canistropsis was dit ook Edmundoa, de naamgeving hiervan eert de Braziliaanse botanicus Edmundo Pereira. Het betreft de drie soorten E. ambigua, E. perplexa en - met twee variëteiten - E. lindenii. De laatste soort had, toen hij bij het genus Canistrum was ingedeeld, nog meer variëteiten gebaseerd op de lengte van de bloemstengel, maar dit kenmerk wordt nu gezien als een afhankelijkheid van de lichtomstandigheden. Deze planten komen alleen voor in het Atlantisch regenwoud in Brazilië, speciaal de Serra do Mar. Ze groeien zowel terrestrisch als epifytisch, hebben een bladlengte van 30 cm tot - bij de soort E. lindenii - 60 cm en reproduceren voornamelijk vegetatief.

Eduandrea

In 1896 door Mez benoemd onder de naam Andrea en slechts vertegenwoordigd door één soort, E. selloana uit het Atlantisch regenwoud van Brazilië waar deze zeldzame plant terrestrisch groeit. In 2008 herbenoemd als Eduandrea omdat bleek dat de naam Andrea al eerder was toegekend (voor een mossoort). De naam eert de Franse bromeliavorser Edouard André.

Encholirium

Zo genoemd vanwege de smalle kroonbladen (Grieks "enchos" = smal, "lirium" = bloei) door von Martius in 1830. De ruim 30 soorten komen voor in droge gebieden in Brazilië, tussen Minas Gerais en Bahia. Xerofyten dus met een cultuur en verzorging als van Dyckia. De bekendste soort is E. spectabile, die in het verleden ook wel als Puya en Dyckia is beschouwd. De grote rozet bestaat uit 60 cm lang, smal succulent blad, met stekels van 1 cm. De bloeiwijze aan de korte stengel is 40 cm lang, cilindrisch en dicht trosvormig met gele bloemen van 2 cm. De soort groeit op rotsachtige bodem.

Fascicularia

Dit geslacht komt voor in Chili en vormt de zuidelijke begrenzing (45 graden ZB) van het gebied waar bromelia's voorkomen. De planten zijn van het xerofytische type, met veel dik smal doornig blad, hoewel ze in de habitat vrij veel neerslag ontvangen. Laag in de rozet ontstaat de fraaie gebundelde ("fasci" = bundels) bloeiwijze met violetkleurige bloemen; deze zijn omlijst door het ten tijde van de bloei roodverkleurde hart van de rozet. De bloei laat lang op zich wachten en is van korte duur, ook de omvang (1 meter diameter) maakt Fascicularia niet bepaald tot een huiskamerplant. Wel zijn ze geschikt als buitenbeplanting; in botanische verzamelingen ziet men ze vaak in grote kuipen die er helemaal mee zijn volgegroeid. De planten komen in de natuur vaak voor op rotsbodem. Het geslacht, door Mez in 1891 benoemd en verwant aan Bromelia, bestaat nog slechts uit de soort Fascicularia bicolor met de subspecies bicolor en canaliculata die zich van elkaar onderscheiden door een andere vorm van bladdoorsnede. Dit na een herziening ervan in 1999 (Zizka e.a.)

Fernseea

Genoemd naar baron Wawra von Fernsee door Baker (1889). In Brazilië komen de twee soorten voor, F. itatiaiae terrestrisch in berggebied en F. bocainensis op lagere hoogte in bos. Het zijn planten met 40 cm lang gestekeld blad, een stengel met trosvormige bloei, rode schutbladen en kleine purperen bloemen.

Fosterella

De ongeveer 30 soorten groeien terrestrisch in droge bossen van Bolivia, Peru, Paraguay en Argentinië, in Zuid-Mexico komt ook nog een soort voor. De rozet is vlak, 40-60 cm groot, en bestaat uit lang smal blad, soms met kleine dorens. De dunne stengel kan bij sommige soorten tot 80 cm lang worden en is meestal vertakt, de deelbloeiwijzen zijn trosvormig en bestaan uit witte of groene klokvormige bloemetjes die vaak allemaal naar dezelfde kant overhangen. Fosterella is nauwelijks in gebruik als cultuurplant. De verzorging is eenvoudig. C. Mez deelde de planten in 1896 in bij Lindmania, maar in 1960 benoemde L. Smith een nieuw geslacht naar de Amerikaanse verzamelaar Foster. De in bloei aantrekkelijkste soort is F. penduliflora, deze is ook het meest verbreid in botanische collecties. Een soort met een bruinrode bladonderzijde is F. villosula.

Glomeropitcairnia

Dit geslacht is ingedeeld bij de Tillandsioideae en is een overgangsvorm tussen deze onderfamilie en die der Pitcairnioideae. Glomero betekent "gelijkend op". Er zijn 2 soorten: G. erectiflora komt voor in de savannes en heuvels van Venezuela en Trinidad, G. penduliflora op de Kleine Antillen. De planten zijn zowel epifytisch als terrestrisch, komen in grote groepen voor en worden met hun lange stijve stengel 2 meter hoog. Aan deze rode stengel ontstaan de aarvormige deelbloeiwijzes (hangen of staand, de soortnaam heeft hierop betrekking), roodgeel van kleur. De rozet bestaat uit breed stijf blad van 70 cm lengte. In 1896 deelde Mez de soorten in bij Pitcairnia, in 1905 benoemde hij ze tot Glomeropitcairnia.

Goudaea

Een genus beschreven in een grote herziening van de Tillandsioideae in 2016; bevat een klein aantal soorten die voordien in genus Vriesea waren ondergebracht (Vriesea chrysostachys en Vriesea ospinae). Genoemd naar Eric Gouda (1957- ), bromelia specialist en curator bij de universiteit Utrecht.

Gregbrownia

Een genus beschreven in een grote herziening van de Tillandsioideae in 2016; bevat een klein aantal soorten die voordien in genus Mezobromelia waren ondergebracht. Genoemd naar Gregory Brown (1951- ), professor in de botanie aan de universiteit van Wyoming, USA.

Greigia

Genoemd naar S. Greig, president van de Russische botanische vereniging, door Regel in 1865. Terrestrische soorten, ongeveer 35 in getal, van Mexico tot Chili, meestal in koele, moerassige gebieden boven de 2000 meter grote bestanden vormend. Dit zijn succulente planten met vervaarlijke bruine dorens aan de bladranden, smal blad met een lengte van 30 tot 120 cm. De weinig aantrekkelijke dennekegelvormige bloeiwijzen met wit tot rode bloemen blijven verzonken in de oksels van de bladeren, bij de meeste soorten niet in het centrum van de rozet maar aan de rand. De cultuur is niet eenvoudig, ze zijn ook vrijwel niet in botanische verzamelingen te vinden. Enkele soorten: G. sphacelata (waarvan de bessen in Chili op de markt te koop zijn), G. albo-rosea uit Venezuela en G. columbiana (o.a. in Kolumbia, Venezuela, Costa Rica).